Selecteer een pagina

Onwillekeurig speelt een glimlach om mijn lippen – hij is verliefd en helemaal geopend. Ik gun het hem, en ik zit na te genieten van hoe hij zijn verhaal bij me kwam doen en zich van knuffeligheid geen raad wist. Koestermomentje – mijn karma-uitlaatklep. Maar potverdorie, het wordt nog erger. Ik zie het eerste gebroken hart al voorbij komen en verbeter mezelf snel. Het grotere gevoel is dat hij zich niet zo zal verliezen in de liefde en in staat zal zijn om te zien wat het is. En de gedachte plopt op dat mijn leven dan in elk geval niet voor niets is geweest.

Wow, niet niks zeg. Wat een heftig mechanisme van projectie en toe-eigening! En zo subtiel vermengd met medevreugde dat ik me makkelijk kan voorhouden dat dit helemaal klopt. Het lijkt onschuldig, maar hier spoelt veel structurele oneigenlijkheid mee op identiteitsniveau. Het navoelen van deze jongen en zijn staat, zijn gevoelens en zijn potentieel, brengt bij mijzelf aan het licht hoe ik er zelf aan toe ben.

Ik ontleen om te beginnen blijkbaar de waarde van mijn leven aan de kwaliteit van het zijne. En dan zit daar ook nog een houding bij van opgeven, mezelf opgeven. ‘Als het verder niks met mij wordt, dit heb ik tenminste goed gedaan.’ Dit getuigt meer van lafheid dan van bescheidenheid. Enne, hoezo bescheidenheid? Hoe kan ik mij aanmeten zijn kwaliteit bewerkstelligd te hebben? Het geloof in de maakbaarheid zit diep en corrumpeert zelfs de levens om me heen.

Gelukkig trekt waarheid zich daar niets van aan en masseert het zich een weg terug door die stugge bedrading: via de liefde die van haar naar hem naar mij doorwerkte, word ik door inzicht gezuiverd.

afsluiting